Opiniestuk in Schoolmanagement Totaal

Opiniestuk in Schoolmanagement Totaal

In de meest actuele versie van Schoolmanagement Totaal staat een opinieartikel van onze Directeur Onderwijs drs. K.H. Bakker. Onderstaand het artikel en u kunt hier klikken voor een versie in PDF.

Het algemeen belang van particuliere scholen en meer marktwerking in ons onderwijs

In Nederland is er voor ieder kind plaats op een reguliere school voor voortgezet onderwijs. Toch is er daarnaast ook een behoefte aan particuliere scholen die onderpresterende leerlingen de mogelijkheid bieden hun schoolcarrière op een passend niveau te doorlopen. Maar omdat onze overheid particuliere scholen op geen enkele manier voor het overnemen van deze veeleisende (en dus dure) leerlingen compenseert, zijn de tarieven voor dit onderwijs hoog en blijft een overstap alleen weggelegd voor kinderen van een selecte groep vermogende ouders. Want anders dan bij de zorg en de nutsbedrijven is onze overheid erg huiverig om gereguleerde marktwerking toe te staan in het onderwijs en een privaat-publiek stelsel te ontwikkelen waarbij, naast een kwalitatief hoogwaardige en algemeen toegankelijke basisvoorziening, extra aandacht en zorg voor een grote groep leerlingen bereikbaar is. Op deze manier houdt deze angst voor ongelijkheid juist een grotere tweedeling in stand.

Particulier onderwijs: ontstaan uit een behoefte

Net als elders in Europa kende Nederland lange tijd een onderwijssysteem van door ouders bekostigde scholen, naast een steeds groter wordend segment van “overheidsscholen”. Met het beslechten van de zwaar ideologisch geladen schoolstrijd in 1917 ontstond een onderwijsbestel van publieke scholen waarin het bijzonder en openbaar onderwijs gelijk gesteld werden. Bijzondere scholen, die onder verantwoordelijkheid vallen van schoolbesturen die door ouders worden bemand, konden daarmee rekenen op evenveel middelen van de overheid als openbare scholen. Hierdoor verdween bij ons, anders dan in bijvoorbeeld Engeland en de Verenigde Staten, het particuliere onderwijs geheel van het toneel, om pas weer in de jaren ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw aan een gestage opmars te beginnen.

De belangrijkste exponenten van dit particuliere onderwijs, Luzac en Winford, werden beide opgericht door ondernemende individuen die in het regulier onderwijs werkzaam waren en daar de grenzen van de dienstverlening, efficiency en doelmatigheid aan den lijve ondervonden; te grote klassen, te weinig maatwerk, te weinig aandacht, te weinig structuur, tekort aan (goede) leerkrachten en een te complexe (en te kostbare) overheadstructuur met veel managementlagen. De oprichters van deze scholen voelden de tijdgeest goed aan: waar het onderwijs eerst een bijna onaantastbare status genoot, bleek er heel geleidelijk ook bij de ouders een gevoel te ontstaan dat het op een aantal fronten echt beter kon.

Opeenvolgende onderwijsvernieuwingen en bezuinigingsronden hebben de afgelopen decennia de rol van de docent geleidelijk gereduceerd van kennisoverdrager tot begeleider van leerlingen die zichzelf de vaardigheid eigen moeten maken zich toegang te verschaffen tot kennis. Het “nieuwe leren”, dat inmiddels door een aanzienlijk aantal scholen is ingevoerd, vindt veelal plaats in een onderwijsvorm waarin leerlingen weinig frontaal les krijgen en in veel vrijheid hun eigen studietraject vormgeven. De zogenaamde leerpleinen zijn hiervan een concreet gevolg; open ruimtes waar leerlingen in grote groepen zelfstandig met het schoolwerk aan de slag zijn. Voor veel leerlingen betekent deze opzet een tekort aan structuur, rust en vooral vakdeskundige hulp, en pakt deze vrije ontwikkelruimte dramatisch uit; veel vraag om extra counseling, een vertraagde opleiding, afstroom naar een lager niveau, of zelfs met schooluitval als gevolg. Onder een groeiende groep ouders is inmiddels een toenemende bereidheid ontstaan om meer te betalen voor een intensievere vorm van onderwijs, die de onderwijsaanpak afstemt op datgene wat de leerling nodig heeft, om er toch nog ‘uit te halen wat er in zit’.

Angst voor marktwerking

Ondanks deze behoefte en maatschappelijke rol heeft het particulier onderwijs in Nederland altijd een moeilijke positie moeten verdedigen: het solidariteitsideaal en het grote belang voor de samenleving schrijven voor dat onderwijs een voor iedereen in gelijke mate toegankelijke basisvoorziening moet zijn, die bekostigd wordt uit algemene middelen. Consensus over marktwerking is er wel, maar alleen binnen een model waarin de opbrengstcijfers van de leerresultaten het kwaliteitsverschil tussen gesubsidieerde scholen bepalen. Van echte liberalisering van de onderwijsmarkt is in dit opzicht geen sprake.

Toch heeft de overheid de afgelopen decennia vanuit het perspectief van efficiëntie en kwaliteitsverhoging wel gereguleerde marktwerking doorgevoerd in de zorg en in de energiemarkt. Daarnaast worden ook in het hoger onderwijs naast het gebruik van collectieve middelen investeringen uit het bedrijfsleven aangetrokken, en vragen verschillende scholen (ROC’s) al  substantieel hogere lesgelden om bepaalde kwaliteitsdoelstellingen mogelijk te maken. Leidend bij alle bovengenoemde voorbeelden is het uitgangspunt dat voor iedereen een acceptabele dienst of acceptabel product beschikbaar is, maar dat, indien men meer wil, dat ook meer kost. Hierbij houdt de overheid sterk de vinger aan de pols als het gaat om de kwaliteit en de toegankelijkheid van deze inmiddels semipublieke diensten. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat een dergelijk model waarbij private instellingen subsidie krijgen van een controlerende overheid niet ook in het onderwijs zou kunnen werken. Ierland en Spanje kennen bijvoorbeeld privaat-publiek onderwijs waarin overheidssubsidie gecombineerd wordt met bedrijfsinvesteringen en hogere lesgelden. De zo ontstane hybridescholen kunnen vervolgens uitblinken in één specifiek facet van het onderwijs (veiligheid, orde en discipline, begeleiding bij leerhandicaps, etc.). In een zichzelf borgend onderwijssysteem zoals Nederland dat kent, waarin de overheid de kwaliteit van de basisvoorzieningen controleert en garandeert, is zo’n constructie eveneens zeer goed mogelijk: de Nederlandse onderwijsinspectie geniet internationaal aanzien met de wijze waarop zij de kwaliteit van ons onderwijs bewaakt. Het toezicht wordt breed gedragen, is krachtig en heeft een sterk kwaliteitsbevorderend effect. De populistische gedachtegang dat ons onderwijs in een marktsysteem zou devalueren en dat diploma’s ‘te koop’ zouden zijn, wordt nu al gelogenstraft door de rapporten van de onderwijsinspectie betreffende het particulier onderwijs.

Een overgang naar zo’n hybride marktmodel waarin scholen minder regelgeving en meer autonomie krijgen om zich te specialiseren in verschillende doelgroepen past in een maatschappelijke trend waarin meer eigen verantwoordelijkheid en minder staatsregulering worden gezien als oplossingen voor de uitdagingen waar onze verzorgingsstaat momenteel voor staat.

Particulier onderwijs bespaart op onze collectieve middelen

Tot nu toe biedt het particulier onderwijs vooral een tweede kans voor wat inmiddels, enigszins misplaatst, bekend staat als de probleemleerling: de leerlingen die meer aandacht, begeleiding en structuur vragen, en in het particuliere onderwijs met ‘maatwerk’ door hun schoolcarrière worden geholpen. Gezien de nog immer uitdijende motivatiecrisis onder de leerlingen ligt het in de lijn der verwachting dat de individueel gerichte en aan de persoon aangepaste aandacht voor veel grotere groepen leerlingen een oplossing voor het onderpresteren is. De overstap van deze veel begeleiding en veel zorg vragende leerlingen naar het particulier onderwijs neemt een flinke onderwijsdruk weg bij de reguliere scholen en zorgt voor een niet te verwaarlozen besparing op onze collectieve middelen. Bij deze besparing gaat het vaak om meer dan de gemiddelde 7.300 euro die de overheid nu per jaar aan een leerling in het voortgezet onderwijs uitgeeft. Op een totaal van zo’n 2700 leerlingen die op dit moment particulier onderwijs volgen, betekent dat jaarlijks een directe besparing van om en nabij de 20 miljoen euro. Dit bedrag pakt nog veel hoger uit als we ook indirecte besparingen zoals het voorkomen van schooluitval en doubleren meetellen.

Schooluitval brengt hoge maatschappelijke kosten met zich mee. Het binnen ons onderwijsbestel houden van deze drop-outs zonder startkwalificatie was juist ook daarom een van de belangrijkste speerpunten van de opeenvolgende staatsecretarissen van Bijsterveldt en Zijlstra. Saillant detail hierbij, en wederom een onderstreping van het belang van particulier onderwijs, is dat de goede resultaten waarmee zij mooie sier maakten voor een niet onbeduidend deel tot stand kwamen nadat besloten werd de leerlingen die op particuliere scholen onderwijs volgden niet meer mee te tellen in de categorie ‘schoolverlaters zonder startkwalificatie’.

Veel van de leerlingen die overstappen naar het particulier onderwijs doen dit om, door de extra mogelijkheden die dit onderwijs biedt, doubleren te ontlopen. Zo wordt voorkomen dat deze leerlingen nog een jaar een beroep doen op het overheidsbudget. Bovendien komen deze leerlingen één tot twee jaar eerder op de arbeidsmarkt en gaan zij dus ook eerder premies en belastingen betalen. Al deze effecten leiden ertoe dat het particulier onderwijs en de ouders die dit bekostigen voor een aanzienlijke besparing op de collectieve middelen zorgen.

De overheid creëert rechtsongelijkheid

Gezien het bovenstaande en het feit dat de leerlingen die naar het particulier onderwijs overstappen voor het reguliere stelsel vaak veeleisende leerlingen zijn, is het volstrekt niet logisch en zelfs onrechtvaardig dat onze overheid aan deze groep dure leerlingen niets bijdraagt en dat ouders van deze leerlingen feitelijk dubbel, via belastingheffing en de hoge lesgelden meebetalen aan het onderwijs van hun kind. Daarnaast wordt deze groep leerlingen ook uitgesloten van de regeling die de schoolboeken geheel vergoedt, kunnen particuliere scholen geen beroep doen op de lerarenbeurs die voorziet in de opleidingskosten voor docenten, en kan er geen extra financiële ondersteuning (vroeger het rugzakje of leerlinggebonden budget) via een samenwerkingsverband ontvangen worden. Een rechtsgrond voor deze ongelijkheid is niet zomaar te vinden, want de particuliere scholen zijn door de overheid erkende vormen van onderwijs en worden door de onderwijsinspectie op een zelfde wijze gecontroleerd en beoordeeld als reguliere scholen. Het is een kwestie van tijd tot vanuit ouders met kinderen in het particulier onderwijs of vanuit dit onderwijs zelf een (proef)proces tegen de Staat wordt aangespannen met deze rechtsongelijkheid als inzet.

Een concurrerende markt zorgt voor kwaliteitsverbetering

Een subsidiëring van particulier onderwijs met een bedrag per leerling dat in redelijke verhouding staat tot de bovengenoemde 7.300 euro zou voor deze scholen een flinke lesgeldreductie mogelijk maken. Dit zal de drempel voor toetreding tot deze vorm van onderwijs aanzienlijk verlagen, en de hierboven beschreven angst voor tweedeling voor een deel wegnemen. Bovendien krijgen door het creëren van zoveel mogelijk gelijke condities voor de spelers in het onderwijsveld, de concurrentie en de marktwerking een reële kans.

In zo’n systeem zullen onderwijsaanbieders gedwongen worden om van elkaars kwaliteit en het daaruit volgende succes te leren. Daarbij is het goed om te bedenken dat het reguliere onderwijs ook echt iets kan opsteken van de werkwijze van particuliere scholen. Met alles dat we de afgelopen jaren te weten zijn gekomen over het puberbrein is het duidelijk dat de combinatie van een duidelijke structuur waarin regels worden gehandhaafd, met een stevige rol voor de docent en veel aandacht voor de individuele ontwikkeling van de leerling ook geschikt is voor grotere groepen leerlingen. Daar waar de massaliteit en de anonimiteit kan worden doorbroken, zal de leerling winnen aan motivatie, ambitie en studieplezier. Natuurlijk staat of valt deze benadering bij een kleine(re) klassengrootte, waarvoor reguliere scholen niet zo maar de middelen hebben. Toch kunnen ook hier de particuliere scholen een horizon bieden: een platte managementstructuur met weinig overheadkosten, docenten die veel contactmomenten in hun formatie hebben en een stevig begeleidingssysteem dat voornamelijk ‘on the job’ (dus tijdens het lesgeven) plaatsvindt, kunnen ook in het regulier onderwijs voor meer efficiency en een aanzienlijke kostenreductie zorgen.

In een concurrerende markt zouden scholen door de overheid niet aangezet hoeven worden tot een scherper kwaliteitsbeleid of een rendabeler dienstverlening. Want een overheid die de niveaus van de leeropbrengsten goed bewaakt en zorgt voor een toegankelijke basisvoorziening, kan het aan de scholen overlaten om de aanpak waarop de beste leerresultaten behaald kunnen worden zelf vorm te geven. Dan komen de onderwijsinstellingen met de beste prijs-kwaliteitsverhouding vanzelf bovendrijven.

Koen Bakker

Directeur Onderwijs Winford



Terug naar Nieuws Gepubliceerd: 19-02-2015